Na school loopt Erik samen met Jonas naar
huis.
„Kom jij bij mij?" vraagt Jonas.
„Ik heb visite," zegt Erik.
„O? Leuke?"
„Nee! Helemaal niet. Mijn neefje met zijn
moeder.
Ze blijven nog slapen ook."
„Is hij een beetje aardig, dat neefje?"
Erik kijkt zijn vriend Jonas niet-begrijpend aan.
„Aardig? Hoezo aardig? Hij is pas twee."
„O," zegt Jonas, „ik snap het, net als onze Jasper."
„Ja, precies."
„Heeft deze ook zo'n stinkluier
om?"
„Ja. En bij het minste begint hij te janken."
„Jasper ook," zegt Jonas.
Zwijgend steken ze de straat bij hun school over.
Een ziekenauto rijdt langs, zonder sirene.
„Wat gebeurt er eigenlijk als je lego in je
neus
stopt?" vraagt Erik.
„Weet ik veel," zegt Jonas als ze het
laatste stukje
naar de overkant rennen omdat er net een auto aan-
komt. „Dan stik je, denk ik," zegt hij als ze op de
andere stoep staan. „Heeft hij dat gedaan dan?"
„Ik weet niet. Ik denk het. Er reed
vanmorgen een
ziekenauto met sirene en hij kwam uit de buurt van
ons huis."
„Jasper heeft weieens inkt gegeten," zegt Jonas.
„Inkt?"
„Ja, van een viltstift. Hij dacht dat het
een speen was
of zo. Ik weet het niet. In ieder geval heeft hij net
zolang zitten sabbelen tot alles onder zat. Zijn tong,
alles."
„Getver," zegt Erik en rilt even bij het
idee. „En
toen?"
„Nou niks. Het was niet giftig, zei de
dokter. Hij
kreeg alleen wel rode poep."
„Met bloed bedoel je?"
„Nee, met inkt. Het was een rode viltstift."
„O," zegt Erik. Zijn rugzak knelt bij zijn
schouders.
Hij haalt hem van zijn rug en neemt hem in zijn hand.
„Kreeg die Jasper van jullie niet
verschrikkelijk op
zijn donder?" vraagt Erik. „Toen met die viltstift?"
Jonas haalt zijn schouders op. „Dat is het
stomme,"
zegt hij. „Op die van twee worden ze nooit boos. Die
mogen alles. Janken, dingen kapotmaken, alles."
„Mollen ze ook strips, denk je?" vraagt
Erik. Zijn
rugzak sleept een beetje over de grond.
„Wat dacht je dan?" vraagt Jonas.
Erik zucht.
„Weetje," zegt Jonas en hij gaat recht voor
Erik
staan, „er is maar één oplossing."
„Wat dan?"
„De deur van je kamer op slot. Altijd."
„Ja, hèhè," zegt Erik. „Hij slaapt op mijn
kamer,
dommie!"
„Pffïf," zegt Jonas en doet alsof hij
zichzelf met zijn
hand frisse lucht moet bezorgen. „Dan weet ik het
